Beweegspelletjes

Baby

Aan tafel (baby/dreumes)


Met de vingertjes
Doe samen met je dreumes mee op de tekst van het versje. Je dreumes leert van imiteren, hij zal jou ook na gaan doen. Met je vingers trommel je op tafel, daarna klap je met je platte hand op tafel. Dan volgt het roffelen met je vuist op tafel en als laatste bonk je met je ellebogen op tafel.

Met de vingertjes, met de vingertjes
Met de platte hand, met de platte hand
Met de vuistjes, met de vuistjes
Met de ellebogen, boem boem boem

Zo gaat de molen
Doe alle bewegingen voor aan je dreumes, kinderen leren op deze leeftijd voornamelijk van imitatie. Wat jij doet, zal je dreumes na het een paar keer gezien te hebben na gaan doen.
Bij ‘zo gaat de molen’ draai je met je handen langzaam om elkaar heen. Bij ‘zo gaan de wieken’ draai je snel met je handen om elkaar heen.

Zo gaat de molen, de molen, de molen
Zo gaat de molen, de molen
Zo gaan de wieken, de wieken , de wieken
Zo gaan de wieken, de wieken

De wielen van de bus gaan rond en rond 
Draai je onderarmen om elkaar heen. Bij ‘als de bus gaat rijden’ doe je net alsof je het  stuur van de bus in je handen hebt.

De wielen van de bus gaan rond en rond
Rond en rond
Rond en rond
De wielen van de bus gaan rond en rond
Als de bus gaat rijden

Bewegen in de buurt in groepsverband (baby/dreumes)

  • Houd je van zwemmen, en vind je het belangrijk dat je kindje niet bang is voor water, vraag dan bij het plaatselijke zwembad naar de mogelijkheden voor  babyzwemmen.
  • Woon je in de buurt van Amsterdam ga dan eens kijken bij The little gym:www.thelittlegym.nl. Daar wordt door gymnastiek en vaardigheidsontwikkeling op een leuke, motiverende en uitdagende manier, de gezondheid en het welzijn van een kind gestimuleerd en ondersteund. Het ouder-kind programma is voor kinderen vanaf 4 maanden tot 3 jaar en hun ouders.

Heb je zelf nog leuke activiteiten? Mail je activiteit naar info@huisvoorbeweging.nl

Buiten (baby/dreumes)

Als je dreumes los kan lopen, ga dan zoveel mogelijk met hem naar buiten, ook bij wat slechter weer.  Uit onderzoek blijkt dat kinderen die veel buiten spelen minder vaak ziek zijn. Buitenlucht is gezond en bovendien hebben kinderen buiten de ruimte om te lopen, te rennen en te dollen.

Kom maar in mijn huisje
Ga op je hurken zitten op een afstandje van je dreumes. Zeg het versje op en open je armen zodat je dreumes in je armen kan rennen. Beloon het in je armen komen met een grote knuffel.

Knibbel knabbel knuisje
Wie komt erin mijn huisje?
Wie komt er in mijn huisje dan?
Daar komt ……an

Buiten wandelen
Neem je dreumes mee naar buiten als je boodschappen gaat doen, een brief gaat posten of de vuilnisbakken buiten gaat zetten. Laat hem zelf lopen. Bewegend ervaart hij de buitenwereld, in de wandelwagen kan hij niets ontdekken.

Bewegen met baby’s voor pedagogisch medewerkers (baby/dreumes)


Op het matras

Gebruik een (oud) matras, of gymzaalmatjes en leg deze op de grond. Leg hier een paar kindjes naast elkaar neer. Let goed op of ze elkaar niet kunnen bezeren of van het matras kunnen afrollen.

Liedjes en versjes met bewegingen boeien de kleintjes enorm. Op deze manier kun je meer kindjes tegelijk vermaken en zullen ze jou kunnen zien.

Leg baby’s regelmatig op een matras, op iets zachts, op de grond. Zo kunnen ze nergens van af vallen en krijgen ze de kans zich vrij te bewegen en te ontdekken. Leg speeltjes in de buurt. Daag ze uit om het speelgoed te pakken.

Een speelkoord
Voor de baby’s is het leuk als je boven de plek waar ze liggen, een koord hangt met verschillende speeltjes eraan. Eén of twee speeltjes per kind is genoeg. Je kunt hiervoor een lang snoer gebruiken dat je boven meerdere kinderen tegelijk kunt hangen. Hang het snoer met speeltjes recht boven de kinderen op navelhoogte zodat ze er met beide handen naar kunnen grijpen.

In de box of naast je op de bank (baby/dreumes)


Klap eens in je handjes
Neem de handjes van je baby in jouw handen en beweeg ze zachtjes op het liedje mee

Klap eens in je handjes, blij blij blij (In handjes klappen)
Op je mooie bolletje allebei (handjes op wangetjes, op het hoofdje redt je kindje nog niet)
Handjes in de hoogte
Handjes in de zij
Zo varen de scheepjes voorbij (armpjes van links naar rechts bewegen)

Dit zijn mijn wangetjes
Neem één handje van je baby in jouw handen en raak de lichaamsdelen uit het liedje aan. Je kunt ook met je eigen handen de gezongen lichaamsdelen aan raken.

Dit zijn mijn wangetjes
Dit is mijn kin
Dit is mijn mondje met tandjes erin
Dit zijn mijn oren
Mijn ogen
Mijn haar
Nu nog mijn neusje en dan ben ik klaar

Olleke Bolleke
Neem de handjes van je baby in jouw handen en beweeg zijn handjes op de maat van het liedje heen en weer. Op het woordje ‘knol’ prik je zachtjes in zijn buikje.

Olleke bolleke
Rebusolleke
Ollekebolleke knol

Op de grond (baby/dreumes)

Kiekeboe
Vanaf ongeveer acht maanden zal je dreumes kiekeboe kunnen spelen. Kinderen van deze leeftijd denken dat als ze je even niet zien, je echt verdwenen bent. Wat een verrassing als jij opeens weer tevoorschijn komt.Ga tegenover je dreumes op de grond zitten.Gebruik een katoenen luier of een grote stoffen zakdoek. Houd de doek voor je gezicht, trek de doek weg en zeg ‘kiekeboe’. Hierna kun je dit ook bij je kindje doen.Je dreumes zal jou imiteren en zelf de doek willen wegtrekken.

Verstopspelletjes
Laat je dreumes zijn favoriete speeltje zien en stop dat daarna langzaam achter je rug. Hij zal gaan zoeken waar het speeltje is. Laat na een poosje het speeltje weer verschijnen.

Bal met bel rollen
Gebruik een zachte bal met een belletje erin. Rol de bal naar je kindje toe zodat hij de bal kan pakken. Je dreumes zal de bal proberen op te pakken en weer los laten. Rol de bal ook eens van je kindje vandaan zodat hij er kruipend achteraan kan gaan.

In en uit doos halen
Speeltjes in en uit, en nog eens in en uit een doos, blik of mand doen zal je dreumes boeien. Zorg dat je speeltjes aanbiedt die ergens in kunnen en er ook weer makkelijk uit gepakt kunnen worden.

Op schoot (baby/dreumes)

Bewegingsspelletjes op schoot kun je het beste pas spelen als je kindje kan zitten. Kan je kindje nog niet actief zitten en wil je deze spelletjes toch spelen zorg dan dat je zijn hoofdje ondersteunt en dat je hem stevig vast hebt bij zijn heupjes.

Zandweggetje
Neem je baby met zijn gezichtje naar je toe op schoot. Zorg dat hij stevig zit. Bij ‘zandweggetje’ beweeg je je benen van links naar rechts. Op ‘kleine steentjes’ beweeg je je benen een klein beetje op en neer. Op ‘grote stenen’ beweeg je je benen wat hoger op en neer. Bij ‘gat in de weg’ zakt je baby een stukje door je geopende knieën. Zorg dat je je baby hierbij goed vasthoudt en ondersteunt.

Zandweggetje, zandweggetje
Kleine steentjes, kleine steentjes
Grote stenen, grote stenen
Gat in de weg

Damespaard
Neem je baby met zijn gezichtje naar je toe op schoot. Zorg dat hij stevig zit. Bij ‘damespaard’ gaan je benen een klein beetje op en neer. Bij ‘herenpaard’ wordt dat iets meer. Bij ‘boerenpaard’ gaan je benen hoog en laag. Bij ‘wild paard’ gaan je benen op en neer en van links naar rechts. Zorg dat je je baby hierbij goed vasthoudt.

Een damespaard, een damespaard, een damespaard gaat zo
Een herenpaard, een herenpaard, een herenpaard gaat zo
Een boerenpaard, een boerenpaard, een boerenpaard gaat zo
Een wild paard, een wild paard, een wild paard gaat zo

Schuitje varen
Neem je baby met zijn gezichtje naar je toe op schoot. Zorg dat hij stevig zit. Beweeg je benen tijdens het liedje heen en weer. Bij ‘jokken’ til je je baby hoog in de lucht.

Schuitje varen
Theetje drinken
Varen we naar de overtoom
Drinken we zoetje melk met room
Zoete melk met brokken
Kindje mag niet jokken

Op een grote paddestoel
Neem je baby met zijn gezichtje naar je toe op schoot. Zorg dat hij stevig zit. Beweeg je benen tijdens het liedje op en neer. Bij ‘krak, zei toen de paddestoel’, laat je je kindje een stukje door je geopende knieën zakken. Op ‘allebei de beentjes hoepla in de lucht’, til je je kindje hoog in de lucht.

Op een grote paddestoel
Rood met witte stippen
Zat kabouter Spillebeen (of naam van je kindje)
Heen en weer te wippen
Krak, zei toen de paddestoel
Met een diepe zucht
Allebei zijn beentjes, hoepla in de lucht

Spelen met bierviltjes


Materiaal: veel bierviltjes, bij voorkeur met de verschillende kanten
Bierviltjes zijn gemakkelijk te verkrijgen; ga naar een kroeg en vraag eens twee stapels bierviltjes. Als je aangeeft dat het voor activiteiten met kinderen is krijg je meestal de bierviltjes zo mee!

Met de bierviltjes kun je veel verschillende spelletjes verzinnen. Je kunt ermee rollen, gooien, stapelen, bouwen, schuiven, rondlopen en weggetjes mee leggen.

Er wordt gespeeld met bierviltjes met aan de ene kant tekst en de andere kant blanco. Een goede mogelijkheid is om de bierviltjes te verven met de kinderen. Dit is een leuke knutselactiviteit (niet moeilijk) en je kunt de viltjes meteen weer gebruiken in je spel.

Kennismaking
Gooi de hele zak bierviltjes in de ruimte en laat de kinderen er een ‘rotzooitje’ van maken. Gegarandeerd plezier! Laat de kinderen ontdekken wat er met de bierviltjes kan. Gaan ze stapelen? Gaan ze rollen? Gaan ze ermee rondlopen? Speel in op de activiteiten die je ziet. Let wel op gevaarlijke situaties bij hard gooien door de oudere kinderen.

Groepjes maken
Alle bierviltjes liggen op de grond. Maak met de bierviltjes groepen. Deel de bierviltjes willekeurig uit. Je kunt de bierviltjes merken met een kleurtje of tekentje. Wie hetzelfde merkje heeft, hoort bij elkaar.

Draaien maar!
De kinderen krijgen de opdracht om de bierviltjes die kris kras op de grond liggen op hun eigen kant te draaien. Groep één moet de bierviltjes met de tekst naar boven leggen en groep twee moet de viltjes met de blanco kant naar boven leggen. Na een minuut stop je en tel je van welke groep er de meeste viltjes liggen.

Lopen op …
Laat de kinderen over de viltjes lopen. Ze mogen alleen op de bierviltjes met de witte kant boven lopen of alleen op de tekstkant. Als je de bierviltjes hebt geverfd, kun je de kinderen de opdracht geven om alleen over bepaalde kleuren te lopen.

Twister
Laat de kinderen rondlopen. Ze mogen niet op de bierviltjes komen. Als de begeleide ’ja’ zegt, gaan de kinderen met één voet op een bierviltje staan. Breid dit uit met twee voeten, twee voeten en twee handen. Als je gebruik maakt van geverfde bierviltjes kun je het spel ‘twister’ spelen met alle kinderen.

Viltjesdans
Maak er een soort stoelendans van met muziek erbij. Als de muziek stopt, moeten de kinderen met allebei de voeten op een bierviltje staan. Ook hier kun je met de geverfde viltjes leuke variaties maken.

Weggetje
Geef de kinderen ieder een stapel bierviltjes (of in groepjes). Hiermee kunnen ze een weggetje leggen op de grond. Laat het weggetje door andere kinderen volgen.

Gooien
De kinderen mogen achter een lijn gaan staan. Aan de overkant maak je ook een lijn. De kinderen moeten proberen de bierviltjes één voor één achter de achterlijn te gooien. Variaties hierop zijn: gooien in verschillende cirkels of hoepels, gooien in een doos. Je kunt verschillende afstanden maken zodat er moeilijke en makkelijke doelen bij zitten.

Opruimen
Maak van het opruimen een spel. De opdracht is: ‘als ik ja zeg ga je zo snel mogelijk de bierviltjes oppakken’. Als de bierviltjes op zijn, zet je de stapels naast elkaar en kijk je wie er de hoogste stapel heeft. Om het win element eruit te halen laat je de kinderen de bierviltjes in het midden van de zaal opstapelen, hoe hoog kan de toren worden zonder te vallen?

Spelen met knijpers


Materiaal: een grote bak met veel gekleurde wasknijpers.

Waarom spelen met knijpers?
Knijpers zijn vrolijk en nieuw materiaal waardoor het kinderen uitdaagt om er mee te ontdekken en te spelen.

De activiteiten zijn geschikt voor verschillende leeftijden. Zelfs de allerkleinsten zullen geboeid zijn door de knijpers.

Door creatief te zijn en naar de kinderen te kijken zul je zien dat er heel veel verschillende (beweeg)spelen zijn te verzinnen met de knijpers. Veel knijpers bij elkaar is een vrolijk en lekker chaotisch gezicht, er is voor ieder kind genoeg en van het opruimen maak je leuke spelletjes.

Gaan de knijpers kapot dan kun je de twee plastic kanten hergebruiken om mee te knutselen. Het ijzeren tussenstuk gooi je weg.

Aandachtspunten:

  • Laat de kinderen zoveel mogelijk tegelijk spelen en bewegen. Wachten op elkaar en in een rijtje staan is voor peuters nog erg moeilijk
  • De jongste kinderen kunnen nog moeite hebben met de knijper ergens op te knijpen maar zullen het na enige oefening door krijgen
  • Door de kleuren van de knijpers kun je inspelen op het (her)kennen van de verschillende kleuren. Ook de jongste kinderen kunnen, als ze nog geen kleuren kunnen benoemen, de verschillende kleuren zien
  • Let op de kinderen bij de eerste activiteit; Wat doen ze? Waar maken ze gebruik van?
  • Hoe gebruiken ze de knijpers? Gaan ze actief aan de gang of zitten ze het nieuwe te verwerken.
  • Maak gebruik van de activiteiten die je ziet gebeuren

Het grote beginspel
Om kinderen kennis te laten maken met de wasknijpers, is het leuk en leerzaam om de kinderen in een vrij spel te laten ontdekken wat ze met de knijpers kunnen doen. Hierdoor krijgen ze de kans om te exploreren en het materiaal te leren kennen. Als je direct met spelletjes begint, zullen de kinderen nog te gefascineerd zijn door het nieuwe materiaal en moeite hebben om te luisteren.

Gooi de hele bak met knijpers door de ruimte, alleen het maken van ‘rotzooi’ vinden de kinderen al geweldig. Laat hierna de kinderen met de knijpers doen wat ze willen. Ze zullen erin gaan liggen, zwemmen, schaatsen, de knijpers ergens opknijpen of iets gaan bouwen. Stimuleer de kinderen door op de spelletjes van anderen te wijzen of door eventueel zelf ideetjes aan te reiken.

Gooien en smijten
Een vervolg op het grote beginspel. Twee kinderen mogen de hele bak met knijpers leeg gooien in de ruimte. Zorg dat de andere kinderen op een veilige afstand zitten. Als de bak leeg is, wordt de bak door middel van een spel weer gevuld. Het spel kun je op verschillende manieren met alle kinderen spelen:

  • Laat eerst alle blauwe knijpers oprapen, daarna alle rode, enzovoort
  • Laat verschillende kinderen verschillende kleuren oprapen
  • Maak een wedstrijdje. Wie is sneller met oprapen van de knijpers, de groepsleiding (rood en wit) of de kinderen (groen en blauw)?
  • Laat de kinderen van een afstand de knijpers in de bak proberen te gooien. Zet hiervoor pylonen om de bak heen zodat de kinderen afstand houden bij het gooien en elkaar niet kunnen raken
  • Maak 3 groepen. Elke groep krijgt een kleur. Zodra de groepsleider een teken geeft, moet elke groep zijn eigen kleur zo snel mogelijk in de grote knijperbak doen
  • Verdeel de knijpers in 2 of 3 vakken. Laat elke groep de knijpers in hun vak zo snel mogelijk op ruimen

Speels indelen van groepje
Als je in vaste groepen wilt spelen, kun je groepjes maken door middel van het uitdelen van verschillende kleuren knijpers. Ieder kind krijgt een knijper die wordt vastgemaakt op de kleding. Zoek nu de andere kinderen met dezelfde kleur knijper.

De knijperestafette
Zet aan de ene kant van de ruimte vier bakken neer met de kleuren van de knijpers. Heb je geen bakken in de goede kleur, geef dan aan welke kleur de bak heeft door er knijpers van één kleur op te knijpen. Zo kunnen de kinderen zien welke kleur in welke bak hoort. Leg aan de andere kant van je ruimte de hele hoop met knijpers op de grond. Vraag de kinderen de knijpers, één voor één, naar de overkant te brengen en in de goede bak te doen.

Ook de jongste peuters kunnen hieraan meedoen ook al kunnen ze de kleuren nog niet benoemen, ze kunnen het wel zien.

Variatie:
Laat de kinderen de knijpers in een pylon doen die open is van boven. Zet op elke pylon een knijper welke aangeeft welke kleur erin die pylon moet. Je maakt het spannend door te kijken of alle knijpers goed zijn weggebracht door de pylon op te tillen.

Kleren versieren
Leg verschillende hoopjes knijpers in de ruimte. Laat de kinderen bij elk hoopje een knijper pakken en op hun eigen kleding vast maken. Doe dit eerst bij jezelf voor. Laat de kinderen doorgaan totdat ze mooi versierd zijn. Waar maken ze de knijpers vast? Welke kleuren pakken ze?

Laat alle kinderen bij de bak komen, nu mogen ze de knijpers weer in de bak doen door eerst alle blauwe knijpers van zich af te halen, daarna de rode enzovoort.

Variatie:
De oudere kinderen kunnen ook elkaar versieren. Laat de kinderen bij elkaar de knijpers eraf halen en in de bak gooien

Zoek de goede kleur
Deel de knijpers één voor één uit aan de kinderen. Elke kind krijgt één knijper per keer. Elke keer krijgen ze een andere kleur. Elke knijper moet in de ruimte worden opgeknepen op een voorwerp met dezelfde kleur. Een rode knijper op een rood boek, een blauwe knijper op een blauwe jas. Daarna laat je de knijpers ophalen op kleur. ‘Haal allemaal eens een rode knijper op, maar niet de knijper die je zelf hebt gedaan’. Als elk kind een knijper heeft gevonden, zijn alle knijpers opgehaald.

Variatie:
Deel meerdere knijpers uit, maak het spannend bij het verzamelen door de kinderen goed te laten zoeken of er nog ergens een knijper is. ‘Wie ziet er toch nog een knijper’?

Verstop de knijper
Geef een kind twee rode knijpers, een andere kind doet de ogen dicht. Het kind met de knijpers gaat ze verstoppen in de ruimte voor het andere kind. Twee andere kinderen hebben twee blauwe knijpers, een ander tweetal heeft twee gele knijpers. Zo weet elk kind welke knijpers hij/zij moet zoeken.

Variatie:
– Geef de kinderen meer knijpers. Nadeel: vaak weten ze zelf niet meer waar de knijpers zijn verstopt.
– Laat twee kinderen knijpers verstoppen voor de groep, voor elk kind één.

De was ophangen
Hang aan de ene kant van de ruimte een touw op de hoogte van de kinderen. Naast het touw staat een mand met poppenkleertjes.
Aan de andere kant van de ruimte leg je een hoop knijpers. Laat de kinderen de kleertjes ophangen op de waslijn. De kinderen mogen maar twee knijpers mee nemen. Laat alle kleertjes ophangen.

Even rust
Laat de kinderen bij een hoopje knijpers zitten. Laat ze nu van alles bouwen met de knijpers. Letters, cijfer of eigen bouwwerkjes.

Variatie:
Probeer een hele grote toren te bouwen, of hoe lang kan de slang worden die we maken? Kunnen we die samen optillen?

Knutselen met knijpers
Maak van een hoepel een mooie zon door knijpers op de hoepel te knijpen.
Als de knijpers kapot gaan, kun je de plastic kanten houden, het ijzeren gedeelte gooi je weg. Met de plastic kanten kun je mooie figuren maken door ze op een vel papier te plakken.

Versier het lint
Geef vier kinderen een gekleurd lintje om; rood, blauw, geel en groen. Deze kinderen lopen door de ruimte en mogen niet stil staan. De andere kinderen mogen steeds een knijper uit de bak pakken en deze op het lintje van een kind vastmaken. Op elk lintje moet de goede kleur komen. Een gele knijper moet op een geel lintje. Waar is het kind met het gele lint? Hebben alle lintjes aan het eind knijpers met de juiste kleur erop?

Variatie:
– Hang de lintjes ergens op in de ruimte.
– Geef elk kind een eigen lintje, zodat ze hun eigen lintje kunnen versieren met de goede kleur. Leg hierbij verschillende hopen knijpers verspreid in de ruimte.

Spelen met staptegels


Materiaal: gekleurde, ronde, zachte platen (bijv. hoepels, matten, tapijttegels of ronde kleedjes). Deze platen kunnen goed worden gebruikt om mee te spelen en te bewegen als staptegel.

Hang staptegeltje hang, lig staptegeltje lig
Hang de staptegels aan de muur of aan een touw. Gebruik allemaal verschillende kleuren. Geef de kinderen allemaal een balletje en laat ze op 1 meter afstand van de staptegels gaan staan. De begeleider noemt de kleur van de staptegel die de kinderen moeten proberen te raken met de bal. Als de kinderen de kleuren nog niet kennen kan de begeleider de staptegel aanwijzen. Lukt het niet om de bal tegen de staptegel te gooien dan sluit je gewoon weer achteraan in de rij aan en kom je vanzelf weer aan de beurt. Kinderen vinden dit heel leuk om te doen omdat ze heel graag de staptegel willen raken.

Variatie:
Je kunt ook de staptegels op de grond leggen. De kinderen moeten proberen om met het balletje de staptegel te raken.
Materiaal:
touw, staptegels (in verschillende kleuren), balletjes (bij voorkeur zachte tennisballen)

Bedacht door Suzanne Hudepol Klas: W1F ROC van Twente 2006

Het grote kietelbeestenbos!
Van de staptegels wordt een slingerpad door de ruimte gemaakt, van de ene kant van de ruimte naar de andere kant. Dit is het pad door het kietelbeestenbos. De kinderen moeten over het pad naar de andere kant van de ruimte proberen te komen, maar ze moeten wel op de staptegels blijven lopen. Als ze er naast stappen, moeten ze helemaal terug naar het begin van het slingerpad.

Dan zijn er nog de kietelbeesten (twee kindjes uit de groep). Zij kunnen de kinderen die van het pad af zijn gegaan ‘pakken’ (bijv. door te kietelen of, als dat niet leuk is, gewoon tikken). Als de kinderen de overkant hebben bereikt, zijn ze het bos uit en zijn ze veilig. Het leukste is het als er telkens twee nieuwe kietelbeesten zijn of als het slingerpad veranderd wordt.

Materiaal:
staptegels (in verschillende kleuren)

Bedacht door Jessica Turenhout, Klas W1A ROC van Twente 2006

Zwarte pieten spel
De begeleider legt allemaal paden neer door allerlei verschillende kleuren staptegels op de grond te leggen (op stapafstand voor de kinderen). Aan een kant van de ruimte liggen allemaal (nep)cadeautjes op de grond. Aan de andere kant liggen grote zakken.

Je vertelt de kinderen een mooi verhaal dat de Sint hulp nodig heeft bij het wegbrengen van de cadeautjes. De arme Sint is zijn Pieten kwijt geraakt. De Sint heeft een aantal hardwerkende hulppieten nodig.
De kinderen moeten de cadeautjes netjes naar de overkant brengen en deze dan in de zakken stoppen. De begeleider kan de kinderen een beetje sturen zodat de cadeautjes eerlijk worden verdeeld over de zakken. De kinderen krijgen na afloop een pietendiploma.

Spelers:
8 of meer
Tijd:
circa 15 a 30 minuten
Regels:
Niet met beide voeten van de tegels afkomen. Eén voetje is niet zo erg.
Niet rennen, want dan gebeuren er ongelukken.
Geen cadeaus van elkaar afpakken, want dat vindt Sinterklaas niet leuk. ‘Goede pieten werken goed samen’. Als je de regels uitlegt, moet je natuurlijk niet zeggen van ‘dit mag niet’, probeer het altijd op een positieve en toch duidelijke manier over te brengen.
Materiaal:
Veel staptegels (kunnen ook hoepels of matten zijn), cadeaus, Sinterklaasliedjes

Bedacht door Kars Bosman, Klas B2E, ROC van Twente 2006

Tegelspel
Leg alle staptegels op de grond, zorg dat dezelfde kleuren niet naast elkaar komen te liggen. Zet de kinderen op een tegel. Zing nu een liedje dat de kinderen moeten uitbeelden. Na elke zin moeten de kinderen een tegel verder gaan.

Voorbeeld liedje:

Beertje, beertje, draai eens rond
Beertje, beertje, tik de grond
Beertje, beertje, was je handen
Beertje, beertje, poets je tanden
Beertje, beertje, kleed je aan
Beertje, beertje ga op een andere tegel staan

Je kunt ook zelf tekst bedenken en toepassen, zodat het liedje langer wordt (let wel op dat de woorden wel op elkaar rijmen). Ook kun je een ander kinderliedje zoeken waarbij je dingen kunt uitbeelden.

Materiaal:
Veel staptegels

Bedacht door Anouk Veenhuizen, Klas: W1C, ROC van Twente 2006

Poesje miauw
Laat de kinderen de hand van een vriendje vasthouden en een grote kring maken. Als ze goed staan, laten ze hun handen los zodat er een mooie kring is gevormd.Leg de staptegels midden in de kring. Zet één kind in het midden van de kring op een staptegel. De staptegels hebben allemaal een andere kleur. Zing het liedje van ‘poesje miauw’ en klap erbij zodat degene die midden in de kring staat weet wanneer die naar de volgende staptegel moet. Dat leer je ze door een voorbeeld te geven.

Voorbeeldliedje:

Poesje miauw KLAP (op elke klap naar de volgende tegel springen)
Kom eens gauw KLAP
Ik heb lekkere melk voor jou KLAP
En voor mij KLAP
Rijst erbij KLAP
Oh wat heerlijk smullen wij KLAP

Het kind springt nu naar de laatste staptegel. Dit kindje is klaar. De begeleider kiest iemand anders uit die in de kring mag staan.

Variatie:
Met alle kinderen tegelijk spelen, de kinderen moeten nu goed kijken waar er nog vrije staptegels zijn.
Materiaal:
Veel staptegels

Bedacht door Sharon Leiwakabessy, Klas W1H, ROC van Twente 2006

Kikkersprong op staptegels
Leg in de lengte van de ruimte een aantal staptegels op een rij. De kinderen moeten nu over de staptegels naar de overkant zien te komen. Dit kan natuurlijk niet gewoon lopend. Laat de kinderen zelf de gekste sprongen of ideeën bedenken om naar de overkant te komen. Als iemand van een tegel afvalt, moet diegene weer vooraan beginnen. Als het te makkelijk is kun je de kinderen weer een nieuwe variant laten verzinnen die wat moeilijker is.

Een aantal voorbeelden zijn: kikkersprong, hinkelend, de afstand tussen de ‘tegels’ groter maken.

Materiaal:
Veel staptegels
Variatie voor het slapen gaan:
Omdat kinderen soms niet graag naar bed gaan, zou je dit spel ook kunnen gebruiken voor kinderen die niet naar bed willen. Leg dan de tegels in een rij (hoeft niet recht achter elkaar) in de slaapkamer naar het bed toe. Het kind kan nu zelf bedenken hoe hij over de staptegels gaat om in bed te komen. Zo kan het kind spelenderwijs naar bed toe.

Bedacht door Joeri Eerdman, Klas W1G, ROC van Twente 2006

Peuter

Buiten bewegen voor peuters met pedagogisch medewerkers (peuter)

Buiten hebben de kinderen de ruimte om te rennen en uit te razen. Buitenlucht is gezond. Ga daarom zoveel mogelijk naar buiten, ook bij slechter weer. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die veel buiten spelen minder vaak ziek zijn.

Buiten kun je veel spelletjes en bewegingsactiviteiten doen met de kinderen. Denk bijvoorbeeld eens aan:

Flessenspel (tweetallen)
Geef twee kinderen een lege frisdrankfles en vul deze met water. Laat de kinderen tegenover elkaar gaan staan (bepaal zelf de afstand: bij jongere kinderen maak je de afstand kleiner). De kinderen moeten nu proberen met een bal de fles van de ander om te gooien. Als de fles omvalt, moet eerst de bal gepakt worden voordat de fles rechtop gezet mag worden. Wie zijn fles is het eerste leeg?

Spelen met ballonnen
Laat de kinderen vrij spelen met een ballon. Kijk welke kinderen leuke bewegingen doen en daag andere kinderen uit dat na te doen.
Probeer met de kinderen een ballon zo lang mogelijk hoog te houden. Hoeveel keer kunnen ze hem aantikken voordat de ballon op de grond valt?

Tweetallen
In tweetallen gaan de kinderen bewegingen doen. Nummer 1 doet dingen voor die nummer 2 eerst na moet doen. Hierna draaien de rollen om en doet nummer 2 bewegingen en moet nummer 1 dit nadoen.
Na een tijdje wordt er contact gezocht met een ander tweetal. Nu heb je een groepje van vier. De voorste doet voor hoe er wordt bewogen. De groepjes noemen we treintjes. Elk treintje heeft een locomotief (de voorste) die bepaalt hoe er wordt bewogen. Na een tijdje krijgt de trein een andere locomotief. Er komt dus een ander kind voorop te staan en de locomotief gaat naar achteren.
Het viertal zoekt een ander viertal. Zo wordt de trein dus steeds langer. Nu heeft de trein al acht mensen. Ook hier doet de locomotief weer alles voor. Zo kun je doorgaan tot je 1 of 2 grote treinen krijgt.

Staartjesroof (3-4 jarigen)
Iedereen krijgt een lintje. Dat stoppen de kinderen achter in hun broek. Het lintje wordt dan net een staartje.
Er zijn twee tikkers. Die proberen de staartjes van de andere kinderen te stelen. Is je staartje gestolen dan kun je een nieuwe halen bij de begeleider. De tikkers proberen zoveel mogelijk staartjes te stelen.
Variatie:
Iedereen heeft een staartje, maar nu mag iedereen staartjes stelen. Er zijn dus geen aparte tikkers meer, iedereen is tikker. De kinderen moeten proberen zoveel mogelijk staartjes te stelen.

Binnen bewegen voor peuters met pedagogisch medewerkers (peuter)

Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen
Ga met de kinderen in een kring staan. Raak de lichaamsdelen aan die je zingt. Op “puntje van je neus” draai je een rondje.

Variatie:
Als je het liedje één keer hebt gezongen, zing je het eerste woordje (hoofd) niet meer maar neurie je dat en raak je je hoofd aan. Elke keer als je het liedje opnieuw zingt, laat je weer een volgend lichaamsdeel weg.

Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen
Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen
Oren, ogen, puntje van je neus
Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen

Twee handjes op de tafel
Een leuk spelletje om aan tafel te spelen.De tekst van het versje spreekt voor zich.

Twee handjes op de tafel
Twee handjes in de zij
Twee handjes op de schoudertjes
Op het hoofdje allebei
Nu maken we twee vuistjes
Zo stevig als het maar kan
Daar gaan we nu mee trommelen
Van je rommeldebommeldebom
De duimpjes zijn de dikste
De pinkjes zijn maar klein
Nu moeten alle handjes
Weer vlug op je ruggetje zijn

Annemaria koekkoek
Ga meerdere stappen van je groep vandaan staan. Jij staat met je rug naar de kinderen toe. Je zegt de woorden  “Annemaria koekkoek” in verschillende tempo’s. Heel snel of juist heel langzaam. Terwijl jij de woorden zegt en naar voren kijkt, mogen de kinderen naar jou toe komen stappen. Als jij “koekkoek” hebt gezegd dan kijk je snel om. Welk kind beweegt er nog? Ze moeten proberen om stil te staan voordat jij omkijkt. Wie kan het eerst de juf aantikken zonder dat jij hem/haar hebt zien bewegen?

Variatie:
Laat een kind de rol van Annemaria koekkoek spelen.

Moeder hoe laat is het? (voor de oudere kinderen)
Ga meerdere stappen uit elkaar staan. Jij staat met je gezicht naar de kinderen toe. Ze vragen “moeder hoe laat is het?”. Jij antwoordt dan met een getal (uur) te noemen tussen de 1 en de 12, bijvoorbeeld: “Het is 5 uur”. De kinderen mogen dan vijf stappen naar voren gaan. Dit speel je verschillende keren. Antwoord jij “BEDTIJD” op de vraag, dan mag jij de kinderen gaan vangen om naar bed te brengen. De bedoeling is dat de kinderen wegrennen voordat jij ze kunt pakken.

Variatie:
Laat een kind de rol van moeder spelen.

Moeder hoe laat is het? 
Het is …. uur 
Moeder hoe laat is het? 
Het is BEDTIJD

Bingo
Houd de handen vast. Zing het liedje en loop in het rond terwijl je zingt. “B-I-N-G-O, B-I-N-G-O” zing je door de letters te noemen. Bij de derde “B I N G O” stop je met rondlopen en stap je op de klank van elke letter en stap naar binnen (voren) en op de laatste BINGO! val je allemaal op de grond.

We hebben een grote zwarte hond
En Bingo is zijn naam
We hebben een grote zwarte hond
En Bingo is zijn naam
B-I-N-G-O, B-I-N-G-O
En Bingo is zijn naam
B-I-N-G-O
BINGO!

Wie niet lopen wil
Tijdens het zingen van het liedje lopen de kinderen twee aan twee hand in hand door de ruimte. Op “sta stil” staat iedereen onmiddellijk helemaal stil. Wie staat er helemaal stil? Speel het spelletje meerdere keren.

Variatie:
Speel met steeds verschillende tweetallen.

Wie niet lopen wil
Wie niet lopen wil
Sta stil!
Wie niet lopen wil
Wie niet lopen wil
Sta stil!

Ora viva
Op “ora” steek je een arm in de lucht. Op “viva” steek je de andere arm in de lucht. Daarna doe je de beweging die je zingt. Hier is dat klappen.

Variatie:
– Verander klappen in andere bewegingen. Bijvoorbeeld: stampen, springen, hurken, vliegen, hinken, zwaaien.
– Laat de kinderen zelf ook een beweging verzinnen.

Ora viva
Even klappen, even klappen
Ora viva
Even klappen, jaja

Heb je wel gehoord van de zeven
Maak een kring. Houd de handen vast. Je zingt het liedje en je loopt rond terwijl je zingt. Op “en dat is 1” doe je een stap naar voren met één been. Hierna begin je het liedje opnieuw te zingen terwijl je rond loopt. Er komt telkens een nummer bij. Elk nummer heeft zijn eigen beweging.

1 = been naar voren
2 = andere been naar voren
3 = op één knie gaan zitten
4 = andere knie erbij
5 = op één elleboog leunen
6 = op andere elleboog leunen
7 = helemaal in elkaar gedoken op de grond met je hoofd tussen je armen

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven
Heb je wel gehoord van de zevensprong
Hij zegt dat ik niet dansen kan
Maar ik kan dansen als een edelman
En dat is 1
Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven
Heb je wel gehoord van de zevensprong
Hij zegt dat ik niet dansen kan
Maar ik kan dansen als een edelman
En dat is 1, en dat is 2
Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven
Heb je wel gehoord van de zevensprong
Hij zegt dat ik niet dansen kan
Maar ik kan dansen als een edelman
En dat is 1, en dat is 2, en dat is 3
enzovoort
enzovoort
enzovoort
En dat is 1, en dat is 2, en dat is 3, en dat is 4, en dat is 5, en dat is 6, en dat is zeven

Ik stond laatst voor een poppenkraam
Ga in twee rijen tegen over elkaar staan of in een kring. Zing samen het liedje. Bij “o,o,o” schud je je hoofd. Bij “zo,zo,zo” wijs je met je handen aan hoe groot de poppen zijn. Eerst laag, dan iets hoger en nog hoger. Op “ze deden allemaal zo” bedenk je een beweging die de poppen maken. De kinderen doen jou na.

Variatie:
– Laat de kinderen een beweging bedenken.
– Mogelijke bewegingen zijn: springen, hinkelen, zwaaien, hurken, rondje draaien, klappen.

Ik stond laatst voor een poppenkraam |
o,o,o
Daar zag ik zoveel poppen staan
Zo, zo, zo
De poppenkoopman ging op reis
De poppen raakten van de wijs
Ze deden allemaal zo (3 keer)

Andere bekende bewegingsliedjes:

  • Er zat een klein zigeunermeisje
  • In de maneschijn
  • Zakdoekje leggen

Over water lopen
Neem een stapel kranten. Maak door de ruimte een weg van ijsschotsen of eilandjes. De kinderen moeten proberen de weg te volgen zonder in het water te vallen.

Variatie:
– Laat de kinderen zelf een weg maken in tweetallen.
– Gebruik twee kranten. Een kind moet van de ene kant van de ruimte naar de andere kant proberen te komen door steeds op één krant te gaan staan, dan de volgende achter zich op te pakken en voor zich neer te leggen. Hij stapt dan over op deze krant. Zo gaat hij steeds verder. Haalt hij de overkant zonder in het water te komen?

Loop naar…
Neem een voorwerp in je gedachten. Geef de kinderen de opdracht: loop zo snel mogelijk naar de bank, een stoeltje, een rugzakje. Lukt het de kinderen er eerder te zijn dan jij?

Variatie:
Neem nu een kleur. Bijvoorbeeld: zoek zo snel mogelijk iets roods.

TRIIIIINGG
Neem een eierwekker of meerdere eierwekkers. Verstop de eierwekkers met een minuut ingesteld. Kunnen de kinderen de wekker vinden voordat deze af gaat?

Variatie:
Laat een paar kinderen de wekkers verstoppen.

Spelen met knijpers
Gebruik bij voorkeur allerlei kleuren knijpers. Leg de knijpers in hoopjes op de grond in verschillende hoeken van de ruimte. Laat de kinderen bij elk hoopje een knijper pakken en op hun kleding knijpen. Kijk eens hoe mooi ze er na een tijdje uitzien.
Span een waslijn en laat de kinderen kleren van papier ophangen aan de waslijn met de knijpers (waslijn en papier ver uit elkaar leggen, zodat de kinderen heen en weer moeten lopen).
Verstop de knijpers in de groepsruimte en laat de kinderen ze zoeken.

Variatie:
Zoek alleen de witte knijpers.

Bewegen op muziek
De kinderen gaan in een kring staan. Er wordt muziek opgezet. Ga als begeleider eerst zelf in de kring staan zodat de kinderen zien dat het niet vreemd is. Laat daarna een kindje in de kring gaan staan. Het kind in de kring doet een beweging voor en de groep doet deze beweging na. Wissel regelmatig af. Zo kan iedereen zelf een beweging verzinnen en wordt er lekker gedanst.

Heb je zelf leuke activiteiten of maak je vaak gebruik van één bepaald spel?
Mail deze activiteiten naarinfo@huisvoorbeweging.nl. We horen het graag!

Beweegspelletjes buiten (peuter)

Buiten heeft je peuter de ruimte om te rennen en uit te razen. Buitenlucht is gezond. Ga daarom zoveel mogelijk naar buiten, ook bij slechter weer. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die veel buiten spelen minder vaak ziek zijn.

Buiten kun je veel spelletjes en bewegingsactiviteiten doen met je kind. Denk bijvoorbeeld eens aan:

  • (Leren) Fietsen
  • Steppen
  • Hoepelen

Flessenspel
Neem allebei een lege frisdrankfles en vul deze met water. Ga tegenover elkaar staan (bepaal zelf de afstand: bij jongere kinderen maak je de afstand kleiner). Probeer met een bal de fles van de ander om te gooien. Als je fles omvalt, moet je eerst de bal weer pakken voordat je de fles rechtop mag zetten.

Wie zijn fles is het eerste leeg?

Balspelletjes
Overgooien, badminton, bal en racket, scoops, spelen met een strandbal of ballon, voetballen.

Speurtochtje
Met stoepkrijt kun je een klein speurtochtje uitzetten.

Spelen met klein materiaal
Pittenzakjes, lege flessen, bierviltjes, knijpers, lege dozen.

Annemaria koekkoek
Ga minstens acht stappen uit elkaar staan. Jij staat met je rug naar je peuter toe. Je zegt de woorden Annemaria koekkoek in verschillende tempo’s. Heel snel of juist heel langzaam. Terwijl jij de woorden zegt en naar voren kijkt mag je peuter naar jou toe komen stappen. Maar als jij koekkoek hebt gezegd, dan kijk je snel om. Zie je je peuter nog bewegen dan moet hij opnieuw beginnen. Je peuter moet proberen stil te staan voordat jij omkijkt. De bedoeling is dat je peuter jou kan aantikken zonder dat jij hem hebt zien bewegen.

Variatie:
Laat je peuter eens proberen om de rol van Annemaria koekkoek te spelen.

Moeder hoe laat is het
Ga minstens acht stappen uit elkaar staan. Jij staat met je gezicht naar je peuter toe. Je peuter vraagt “moeder hoe laat is het?”. Jij antwoordt dan met een getal (uur) te noemen tussen de 1 en de 12, bijvoorbeeld: “het is 5 uur”. Je peuter mag dan vijf stappen naar voren gaan. Dit kan je verschillende keren spelen. Maar antwoord jij “BEDTIJD” op zijn vraag dan mag je hem gaan vangen. De bedoeling is dat je peuter jou kan aantikken voordat dat jij hem hebt kunnen vangen.

Variatie:
Laat je peuter eens proberen om de rol van moeder te spelen.

Moeder hoe laat is het?
Het is …. uur
Moeder hoe laat is het?
Het is BEDTIJD

Beweegspelletjes binnen (peuter)

Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen
Ga tegenover je peuter staan. Raak de lichaamsdelen aan die je zingt. Wanneer je zingt ‘puntje van je neus’, draai je tegelijkertijd een rondje.

Variatie:
Als je het liedje één keer hebt gezongen, zing je het eerste woordje (hoofd) niet meer maar neurie je dat en raak je je hoofd aan. Elke keer als je het liedje opnieuw zingt, laat je weer een volgend lichaamsdeel weg.

Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen
Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen
Oren, ogen, puntje van je neus
Hoofd, schouders, knie en teen, knie en teen

Twee handjes op de tafel
Een leuk spelletje om aan tafel te spelen. De bewegingen bij het versje spreken voor zich.

Twee handjes op de tafel
Twee handjes in de zij
Twee handjes op de schoudertjes
Op het hoofdje allebei
Nu maken we twee vuistjes
Zo stevig als het maar kan
Daar gaan we nu mee trommelen
Va je rommeldebommeldebom
De duimpjes zijn de dikste
De pinkjes zijn maar klein
Nu moeten alle handjes
Weer vlug op je ruggetje zijn

Annemaria koekkoek
Ga minstens acht stappen uit elkaar staan. Jij staat met je rug naar je peuter toe. Je zegt de woorden Annemaria koekkoek in verschillende tempo’s. Heel snel of juist heel langzaam. Terwijl jij de woorden zegt en naar voren kijkt mag je peuter naar jou toe komen stappen. Maar als jij koekkoek hebt gezegd, dan kijk je snel om. Zie je je peuter nog bewegen dan moet hij opnieuw beginnen. Je peuter moet proberen stil te staan voordat jij omkijkt. De bedoeling is dat je peuter jou kan aantikken zonder dat jij hem hebt zien bewegen.

Variatie:
Laat je peuter eens proberen om de rol van Annemaria koekkoek te spelen.

Moeder hoe laat is het
Ga minstens acht stappen uit elkaar staan. Jij staat met je gezicht naar je peuter toe. Je peuter vraagt “moeder hoe laat is het?”. Jij antwoordt met een getal (uur) te noemen tussen de 1 en de 12, bijvoorbeeld: “het is 5 uur”. Je peuter mag dan vijf stappen naar voren gaan. Dit speel je verschillende keren. Antwoord jij “BEDTIJD'”op zijn vraag, dan mag je hem gaan pakken. De bedoeling is dat je peuter op tijd wegrent zonder dat jij hem kunt vangen.

Variatie:
Laat je peuter eens proberen om de rol van moeder te spelen.

Moeder hoe laat is het?
Het is …… uur
Moeder hoe laat is het?
Het is BEDTIJD

Jan huigen in de ton
Houd de handen van je peuter vast. Je zingt het liedje en draait een rondje. Op “en de ton die viel in duigen” val je allebei op de grond.

Jan huigen in de ton
Met een hoepeltje erom
Jan huigen, jan huigen
En de ton die viel in duigen

Bingo
Houd de handen van je peuter vast. Je zingt het liedje en loopt een rondje terwijl je zingt. “B-I-N-G-O, B-I-N-G-O” zing je door de letters één voor één te noemen. Bij de derde “B-I-N-G-O” stop je met rondlopen en stap je op de klank van elke letter een stap naar binnen (voren) en op de laatste “BINGO!” val je allebei op de grond.

We hebben een grote zwarte hond 
En Bingo is zijn naam
We hebben een grote zwarte hond 
En Bingo is zijn naam
B-I-N-G-O, B-I-N-G-O
En Bingo is zijn naam
B-I-N-G-O 
BINGO!

Wie niet lopen wil
Tijdens het zingen van het liedje loop je hand in hand door de kamer. Op “sta stil” sta je onmiddellijk helemaal stil. Dit kan je meerdere keren herhalen.

Wie niet lopen wil
Wie niet lopen wil
Sta stil
Wie niet lopen wil
Wie niet lopen wil
Sta stil

Ora viva
Op “ora” steek je een arm in de lucht. Op  “viva” steek je de andere arm in de lucht. Daarna doe je de beweging die je zingt. Hier is dat klappen.

Variatie:
Verander van te klappen in een andere bewegingen. Bijvoorbeeld: stampen, springen, hurken, vliegen, hinken, zwaaien. Laat je peuter zelf ook een beweging verzinnen.

Ora viva
Even klappen, even klappen
Ora viva
Even klappen, jaja

Heb je wel gehoord van de zeven
Houd de handen van je peuter vast. Je zingt het liedje en draait een rondje terwijl je zingt. Op  “en dat is 1” doe je 1 stap naar voren met een been. Hierna begin je het liedje opnieuw te zingen terwijl je een rondje draait. Er komt dan telkens een nummertje bij. Elk nummer heeft zijn eigen beweging.

1=been naar voren
2=andere been naar voren
3=op één knie gaan zitten
4=andere knie erbij
5=op één elleboog leunen
6=op andere elleboog leunen
7=helemaal in elkaar gedoken op de grond met je hoofd tussen je armen

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven
Heb je wel gehoord van de zevensprong
Hij zegt dat ik niet dansen kan 
Maar ik kan dansen als een edelman
En dat is 1
Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven
Heb je wel gehoord van de zevensprong
Hij zegt dat ik niet dansen kan 
Maar ik kan dansen als een edelman
En dat is 1, en dat is 2
Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven
Heb je wel gehoord van de zevensprong
Hij zegt dat ik niet dansen kan 
Maar ik kan dansen als een edelman
En dat is 1, en dat is 2, en dat is 3
enzovoort
enzovoort
enzovoort
En dat is 1, en dat is 2, en dat is 3, en dat is 4, en dat is 5, en dat is 6, en dat is zeven

Er zat een klein zigeunermeisje
Je peuter zit op de grond. Jij zingt het liedje en loopt om je peuter heen. Bij “sta op” staat je peuter op en droogt zijn traantjes af. Hij kiest jou uit en samen dans je het liedje uit.

Variatie:
Speel zelf ook eens het zigeunermeisje

Er zat een klein zigeunermeisje
Huilend op een steentje
Huilend, huilend, helemaal alleen
Sta op, meisje lief en droog je traantjes af 
En kies een kindje uit de kring
Die met jou dansen mag
La la la la la la la la la la la la

In de maneschijn
Ga tegenover je peuter staan. Samen zing je het liedje en beeld je de bewegingen uit.

In de maneschijn = maak een grote ronde beweging met je handen
Klom ik … = met je vingers klim je een trapje op
En je raadt het niet = met je wijsvinger zwaai je heen en weer
Zo doet een vogel = met beide armen vliegen
En zo doet een vis = met beide handen op elkaar maak je een visbeweging
Zo doet een duizendpoot… = met je ene hand de andere hand boenen
En dat is 1 = 1 vinger opsteken
En dat is 2 = 2 vingers opsteken
En dat is dikke…. = dikke buik nadoen
En dat is recht = armen recht naar voren
En dat is krom = armen buigen
En dan draaien we…. = met de armen om elkaar heen draaien

In de maneschijn
In de maneschijn
Klom ik op een trapje naar het raamkozijn
En je raadt het niet
En je raadt het niet
Zo doet een vogel 
En zo doet een vis
Zo doet een duizendpoot die schoenenpoetser is 
En dat is 1
En dat is 2
En dat is dikke dikke dikke tante Kee
En dat is recht 
En dat is krom
En dan draaien we het wieltje nog eens om, rom bom

Ik stond laatst voor een poppenkraam

Ga tegen over je peuter staan en zing samen het liedje. Bij “o,o,o” schud je je hoofd. Bij “zo,zo,zo” wijs je de grootte van de poppen aan. Eerst laag, dan iets hoger en het hoogst.
Op “ze deden allemaal zo” bedenk je een beweging die de poppen maken. Je peuter moet jou nadoen.

Variatie:
Laat je peuter zelf een beweging bedenken die jij nadoet. Mogelijke bewegingen zijn springen, hinkelen, zwaaien, hurken, rondje draaien, klappen.

Ik stond laatst voor een poppenkraam
o, o, o
Daar zag ik zoveel poppen staan
Zo, zo, zo
De poppenkoopman ging op reis
De poppen raakten van de wijs
Ze deden allemaal zo (3 keer)

Over draadje lopen
Neem een bolletje wol. Leg dit uitgerold door de kamer. Laat je peuter aan het begin gaan staan. Je peuter moet nu het weggetje volgen zonder er van af te vallen.

Variatie:
– Laat je peuter niet kijken waar jij de draad neerlegt. Leg aan het eind een verrassing neer.
– Laat je peuter een weggetje maken dat jij moet volgen.

Draad volgen
Neem een bolletje wol. Je peuter zit met zijn ogen dicht. Span de draad overal onder-, over- en achterlangs. Laat je peuter bij het begin van de draad beginnen en laat hem zo de weg zoeken naar het einde van de draad. Hij mag de draad niet loslaten.

Over water lopen
Neem een aantal kranten. Maak door de kamer een weg van ijsschotsen of eilandjes. Je peuter moet proberen de weg te volgen zonder ‘in het water te vallen’.

Variatie:
– Laat je peuter niet kijken waar jij de ijsschotsen neerlegt. Leg aan het eind een verrassing neer.
– Neem twee kranten. Je peuter moet van de ene kant van de kamer naar de andere kant proberen te komen door steeds op een krant te staan en de volgende achter zich op te pakken en voor zich neer te leggen. Hij stapt dan op de eerste.. en zo verder. Haalt hij de overkant zonder in het water te komen? Doe dit eerst even voor.
– Laat je peuter een weg maken die jij moet volgen.

Loop naar…
Neem een voorwerp/plaats in je gedachten. Geef je peuter de opdracht loop zo snel mogelijk naar de bank, tafel, keukenkast. Lukt het je peuter er eerder te zijn dan jij?

Variatie:
Neem nu een kleur. Bijvoorbeeld: zoek zo snel mogelijk iets roods.

TRIIIIINGG
Neem een eierwekker. Verstop de eierwekker met een minuut ingesteld. Kan je peuter de wekker vinden voordat deze af gaat?

Variatie:
Laat je peuter de wekker verstoppen.

Bewegen in de buurt in groepsverband (peuter)

Wil je actief bewegen met je peuter in groepsverband informeer dan bij de plaatselijke gymnastiekvereniging naar Ouder en Kindgym. Dat is speciaal bedoeld voor de peuter van 1½ tot 4 jaar, die samen met papa en mama of opa en oma, lekker wil gymmen in een ‘echte’ gymzaal.

Wilt u meer informatie over Ouder en Kindgym, bijvoorbeeld waar en door wie de lessen worden gegeven, wat de kosten zijn, en hoe de lessen eruit zien, informeer dan bij de plaatselijke KNGU-vereniging of bij het bondsbureau van de KNGU, www.kngu.nl.

Houden jij en je kindje van zwemmen, en vind je het belangrijk dat je kindje niet bang is voor water, informeer dan bij het plaatselijke zwembad naar de mogelijkheden voor peuterzwemmen.

Woon je in de buurt van Amsterdam ga dan eens kijken bij The Little gym, www.thelittlegym.nl.

Bij The Little Gym wordt op een leuke, motiverende en uitdagende manier, de gezondheid en het welzijn van kind gestimuleerd en ondersteund. Het Ouder-Kind programma is voor kinderen vanaf 4 maanden tot 3 jaar en hun ouders. Vanaf 3 jaar doet je kind zonder papa of mama mee aan het programma.

Bezoek met je peuter de peuterspeelzaal. Een peuterspeelzaal is een plek waar jonge kinderen van 2 tot 4 jaar een aantal ochtenden of middagen in groepsverband kunnen spelen. Dit gebeurt onder begeleiding van gediplomeerde leidsters. Er worden verschillende activiteiten aangeboden, zowel individueel als in groepsverband. De peuters worden op een speelzaal gestimuleerd in hun sociale, creatieve, verstandelijke, emotionele en natuurlijk motorische ontwikkeling. Vraag op het consultatiebureau naar de dichtstbijzijnde peuterspeelzaal.

Heb je zelf nog leuke activiteiten? Mail je activiteit naar info@huisvoorbeweging.nl

Spelen met bierviltjes

Materiaal: veel bierviltjes, bij voorkeur met de verschillende kanten

Bierviltjes zijn gemakkelijk te verkrijgen; ga naar een kroeg en vraag eens twee stapels bierviltjes. Als je aangeeft dat het voor activiteiten met kinderen is krijg je meestal de bierviltjes zo mee!
Met de bierviltjes kun je veel verschillende spelletjes verzinnen. Je kunt ermee rollen, gooien, stapelen, bouwen, schuiven, rondlopen en weggetjes mee leggen.
Er wordt gespeeld met bierviltjes met aan de ene kant tekst en de andere kant blanco. Een goede mogelijkheid is om de bierviltjes te verven met de kinderen. Dit is een leuke knutselactiviteit (niet moeilijk) en je kunt de viltjes meteen weer gebruiken in je spel.

Kennismaking
Gooi de hele zak bierviltjes in de ruimte of laat de kinderen er een ‘rotzooitje’ van maken. Gegarandeerd plezier! Laat de kinderen ontdekken wat er met de bierviltjes kan. Gaan ze stapelen? Gaan ze rollen? Gaan ze ermee rondlopen? Speel in op de activiteiten die je ziet. Let wel op gevaarlijke situaties bij hard gooien door de oudere kinderen.

Groepjes maken
Alle bierviltjes liggen op de grond. Maak met de bierviltjes groepen. Je kunt de bierviltjes merken met een kleurtje of teken. Wie hetzelfde merkje heeft, hoort bij elkaar.

Draaien maar!
De kinderen krijgen de opdracht om de bierviltjes die kris kras op de grond liggen op hun eigen kant te draaien. Groep één moet de bierviltjes met de tekst naar boven leggen en groep twee moet de viltjes met de blanco kant naar boven leggen. Na een minuut stop je en tel je van welke groep er de meeste viltjes liggen.

Lopen op …
Laat de kinderen over de viltjes heen lopen. Ze mogen alleen op de bierviltjes met de witte kant boven lopen of alleen op de tekstkant. Als je de bierviltjes hebt geverfd, kun je de kinderen de opdracht geven om alleen over bepaalde kleuren te lopen.

Twister
Laat de kinderen rondlopen. Ze mogen niet op de bierviltjes komen. Als de begeleider ’ja’ zegt, gaan de kinderen met één voet op een bierviltje staan. Breid dit uit met twee voeten, twee voeten en twee handen. Als je gebruik maakt van geverfde bierviltjes kun je het spel ‘twister’ spelen met alle kinderen.

Viltjesdans
Maak er een soort stoelendans van met muziek erbij. Als de muziek stopt, moeten de kinderen met allebei de voeten op een bierviltje staan. Ook hier kun je met de geverfde viltjes leuke variaties maken.

Weggetje
Geef de kinderen ieder een stapel bierviltjes (of in groepjes). Hiermee kunnen ze een weggetje leggen op de grond. Laat het weggetje door andere kinderen volgen.

Gooien
De kinderen mogen achter een lijn gaan staan. Aan de overkant maak je ook een lijn. De kinderen moeten proberen de bierviltjes één voor één achter de achterlijn te gooien. Variaties hierop zijn: gooien in verschillende cirkels of hoepels, gooien in een doos. Je kunt verschillende afstanden maken zodat er moeilijke en makkelijke doelen bij zitten.

Opruimen
Maak van het opruimen een spel. De opdracht is: ‘als ik ja zeg ga je zo snel mogelijk de bierviltjes oppakken’. Als de bierviltjes op zijn, zet je de stapels naast elkaar en kijk je wie er de hoogste stapel heeft. Om het win element eruit te halen laat je de kinderen de bierviltjes in het midden van de zaal opstapelen, hoe hoog kan de toren worden zonder te vallen?

Spelen met knijpers

Materiaal: een grote bak met veel gekleurde wasknijpers.

Waarom spelen met knijpers?
Het is vrolijk en nieuw materiaal waardoor het kinderen uitdaagt om er mee te ontdekken en te spelen. De activiteiten zijn geschikt voor verschillende leeftijden. Zelfs de allerkleinsten zullen geboeid zijn door de knijpers.

De knijpers zijn kleurrijk. Door creatief te zijn en naar de kinderen te kijken, zul je zien dat er heel veel verschillende (beweeg)spelletjes zijn te verzinnen met de knijpers. Knijpers zijn goedkoop waardoor je een grote hoeveelheid aanschaft voor weinig geld. Veel knijpers bij elkaar is een vrolijk en lekker chaotisch gezicht, er is voor ieder kind genoeg materiaal en van het opruimen maak je leuke spelletjes.

Gaan de knijpers kapot dan kun je de twee plastic kanten hergebruiken om mee te knutselen. Het ijzeren tussenstuk gooi je weg.

Aandachtspunten:

  • Laat de kinderen zoveel mogelijk tegelijk spelen en bewegen. Wachten op elkaar en in een rijtje staan is voor de peuters nog erg moeilijk. Pas als je een spel vaker hebt gespeeld, kun je beginnen met in rijtjes staan.
  • De jongste kinderen kunnen nog moeite hebben met de knijper ergens op te knijpen maar zullen het na enige oefening snel door krijgen.
  • Door de kleuren van de knijpers kun je inspelen op het (her)kennen van de verschillende kleuren. Dit werkt zelfs voor de jongste kinderen als ze nog geen kleuren kunnen benoemen, maar wel de verschillende kleuren zien.

De Knijperspelletjes
Let op de kinderen bij de eerste activiteit;
Wat doen ze?,
Waar maken ze gebruik van?
Hoe gebruiken ze de knijpers?
Gaan ze actief aan de gang of gaan ze zitten?
Maak gebruik van de activiteiten die je ziet gebeuren!

Het grote beginspel
Om de kinderen kennis te laten maken met het nieuwe materiaal wasknijpers, is het leuk en leerzaam om de kinderen in een vrij spel te laten ontdekken wat ze met de knijpers kunnen doen. Hierdoor krijgen ze de kans om te exploreren en het materiaal te leren kennen. Als je meteen met spelletjes begint, zullen de kinderen nog te veel gefascineerd zijn door het nieuwe materiaal en moeite hebben om te luisteren.

Gooi de hele bak met knijpers door de ruimte, alleen het maken van ‘rotzooi’ vinden de kinderen al geweldig.

Laat hierna de kinderen met de knijpers doen wat ze willen. Ze zullen erin gaan liggen, zwemmen, doorheen schaatsen, de knijpers ergens opknijpen of iets gaan bouwen. Stimuleer de kinderen door op de spelletjes van anderen te wijzen en eventueel zelf ideetjes aan te reiken.

Gooien en smijten
Een vervolg op het grote beginspel. Nu mogen twee kinderen de hele bak met knijpers leeg gooien in de ruimte. Zorg dat de andere kinderen op een veilige afstand zitten. Als de bak leeg is gaan we de bak door middel van het spelen van een spel weer vullen.

Het spel kun je op verschillende manieren met alle kinderen spelen:

  • Eerst alle blauwe knijpers oprapen, daarna alle rode, enzovoort
  • Verschillende kinderen verschillende kleuren laten oprapen
  • Kunnen we heel snel alle witte knijpers in de bak doen? Hoe snel kunnen we de rode knijpers verzamelen? Wie is sneller met oprapen van de knijpers, de groepsleiding (rood en wit) of de kinderen (groen en blauw)?
  • Laat de kinderen van een afstand de knijpers in de bak proberen te gooien. Zet hiervoor pylonen om de bak heen zodat de kinderen afstand houden bij het gooien en elkaar niet kunnen raken.
  • Maak 3 groepen. Elke groep krijgt een kleur. Zodra de groepsleider een teken geeft, moet elke groep zijn eigen kleur zo snel mogelijk in de grote knijperbak doen.
  • Verdeel de knijpers in 2 of 3 vakken. Probeer nu met je groep de knijpers in jou vak zo snel mogelijk op te ruimen.

Speels indelen van groepjes
Als je in vaste groepjes wilt spelen kun je groepjes maken door middel van het uitdelen van verschillende kleuren knijpers. Ieder kind krijgt een knijper die ze op hun kleding mogen vastknijpen. Zoek nu de andere kinderen met dezelfde kleur knijper, die horen bij elkaar.

De knijper estafette
Zet aan de ene kant van je ruimte vier bakken neer met de kleuren van de knijpers. Heb je geen bakken in de goede kleur, geef dan aan welke kleur de bak heeft door er knijpers van één kleur op te knijpen. Zo kunnen de kinderen zien welke kleur in welke bak hoort. Leg aan de andere kant van je ruimte de hele hoop met knijpers op de grond. Vraag de kinderen de knijpers, één voor één, naar de overkant te brengen en in de goede bak te doen.
Ook de jongste peuters kunnen hieraan meedoen ook al kunnen ze de kleuren nog niet benoemen, ze kunnen het wel zien.

Variatie:
Laat de kinderen de knijpers in een pylon doen die open is van boven. Zet op elke pylon een knijper welke aangeeft welke kleur erin die pylon moet. Je maakt het spannend door te kijken of alle knijpers goed zijn weggebracht door de pylon op te tillen.

Kleren versieren
Leg verschillende hoopjes met knijpers in de ruimte. Vraag de kinderen om bij elk hoopje een knijper te pakken en op hun eigen kleren vast te maken. Doe dit eerst bij jezelf eens voor. Laat de kinderen doorgaan totdat ze mooi versierd zijn met de knijpers. Waar maken ze de knijpers vast? Welke kleuren pakken ze?
Laat alle kinderen bij de bak komen, nu mogen ze de knijpers weer in de bak doen door eerst alle blauwe knijpers van zich af te halen, daarna de rode enzovoort.

Variatie:
De oudere kinderen kunnen ook elkaar versieren. Laat de kinderen bij elkaar de knijpers eraf halen en in de bak gooien

Zoek de goede kleur
Deel de knijpers één voor één uit aan de kinderen. Elke kind krijgt één knijper per keer. Elke keer krijgen ze een andere kleur. Elke knijper moet in de ruimte ergens worden opgeknepen op een voorwerp met dezelfde kleur. Een rode knijper op een rood boek, een blauwe knijper op een blauwe jas.
Daarna laat je de knijpers ophalen op kleur. “Haal allemaal eens een rode knijper op, maar niet de knijper die je zelf hebt gedaan”. Als elk kind een knijper heeft gevonden, zijn alle knijpers opgehaald.

Variatie:
Deel meerdere knijpers uit, maak het spannend bij het verzamelen door de kinderen goed te laten zoeken of er nog ergens een knijper is. “Wie ziet er toch nog een knijper”?

Verstop de knijper
Geef een peuter twee rode knijpers, een andere peuter doet de ogen dicht. Vraag de peuter met de knijpers deze te verstoppen in de ruimte voor het andere kind. Twee andere kinderen hebben twee blauwe knijpers, weer twee andere twee gele knijpers . Zo weet elk kind welke knijpers hij/zij moet vinden.

Variatie:
– Geeft de kinderen meer knijpers, nadeel hiervan is dat ze vaak zelf niet meer weten waar de knijpers zijn verstopt.
– Laat twee kinderen knijpers verstoppen voor de groep, voor elk kind één.

De was ophangen
Hang aan de ene kant van de ruimte een touw op de hoogte van de kinderen op. Naast het touw staat een mand met poppenkleertjes.

Aan de andere kant van de ruimte ligt een hoop knijpers. Vraag de kinderen de kleertjes op te hangen op de waslijn. Ze mogen maar twee knijpers van de hoop mee nemen. Laat alle kleertjes op de lijn hangen.

Even rust
Laat de kinderen bij een hoopje knijpers zitten. Ze kunnen nu van alles gaan bouwen met de knijpers. Letters, cijfers, eigen bouwwerkjes.

Variatie:
Probeer een hele grote toren te bouwen. Hoe lang kan de slang worden die we maken? Kunnen we die samen optillen?

Knutselen met knijpers
Maak van een hoepel eens een mooie zon door knijpers op de hoepel te knijpen. Als de knijpers kapot gaan, kun je de plastic kanten houden, het ijzeren gedeelte gooi je weg. Met de plastic kanten kun je mooie figuren maken door ze op een vel papier te plakken.

Versier het lint
Geef vier kinderen een gekleurd lintje om; rood, blauw, geel en groen. De kinderen lopen door de ruimte en mogen niet stil staan. De rest van de kinderen mag steeds een knijper uit de hoop pakken en deze op het lintje van een kind vastmaken. Op elk lintje moet de goede kleur komen. Een gele knijper moet op een geel lintje. Waar is het kind met het gele lint? Hebben alle lintjes aan het eind van het spel de goede kleuren erop?

Variatie:
– Hang de lintjes ergens op in de ruimte.
– Geef elk kind een eigen lintje, zodat ze hun eigen lintje kunnen versieren met de goede kleur. Leg hierbij verschillende hopen knijpers verspreid in de ruimte.

Spelen met staptegels

Materiaal: gekleurde, ronde, zachte platen (bijv. hoepels, matten, tapijttegels of ronde kleedjes). Deze platen kunnen goed worden gebruikt om mee te spelen en te bewegen als staptegel.

Hang staptegeltje hang, lig staptegeltje lig
Hang de staptegels aan de muur of hang ze aan een touw. Gebruik allemaal verschillende kleuren. Geef de kinderen allemaal een balletje en laat ze op 1 meter afstand van de staptegels gaan staan. De begeleider noemt de kleur van de staptegel die de kinderen moeten proberen te raken met de bal. Als de kinderen de kleuren nog niet kennen, kan de begeleider de staptegel aanwijzen. Lukt het niet om de bal tegen de staptegel te gooien dan sluit je gewoon weer achteraan in de rij aan en dan kom je vanzelf wel weer aan de beurt. Kinderen vinden dit heel leuk om te doen omdat ze heel erg graag die staptegel willen raken.

Variatie:
Je kunt ook de staptegels op de grond leggen en ze dan laten proberen om met het balletje de staptegel te raken.
Materiaal:
– touw
– staptegels (in verschillende kleuren)
– balletjes, bij voorkeur zachte tennisballen

Bedacht door Suzanne Hudepol Klas: W1F ROC van Twente

Het grote kietelbeestenbos!
Van de staptegels word een slingerpad door de ruimte gemaakt, van de ene kant van de ruimte naar de andere kant. Dit moet het pad door het kietelbeestenbos voorstellen.

De kinderen moeten over het pad naar de andere kant van de ruimte proberen te komen, maar ze moeten wel op de staptegels blijven lopen, want zodra ze er naast stappen, mogen ze niet meer op de staptegels, maar moeten ze helemaal terug naar het begin van het slingerpad.

Dan zijn er nog de kietelbeesten (gewoon 2 kindjes uit de groep), die degene die van het pad af zijn gegaan kunnen ‘pakken’ (bijv. door te kietelen, of als dat niet leuk is, gewoon tikken). Als de kinderen de overkant hebben bereikt zijn ze het bos uit en zijn ze veilig. Het leukste is als er telkens 2 nieuwe kietelbeesten zijn of als het slingerpad veranderd wordt.

Materiaal:
staptegels (in verschillende kleuren)

Bedacht door Jessica Turenhout, Klas W1A ROC van Twente

Zwarte pieten spel
De leraar legt allemaal paden neer door allerlei verschillende kleuren staptegels op de grond te leggen (op stapafstand voor de kinderen). Aan één kan van de ruimte liggen allemaal(nep) cadeautjes op de grond verspreid. Aan de andere kant liggen grote zakken.

Je vertelt de kinderen een mooi verhaaltje over het feit dat de Sint hulp nodig heeft bij het wegbrengen van de cadeaus. De arme Sint is namelijk zijn pieten kwijt geraakt. De Sint heeft een aantal hardwerkende hulp pieten nodig.
Het is de bedoeling dat de kinderen de cadeautjes netjes naar de overkant brengen en deze dan in de zakken stoppen. De begeleider kan de kinderen een beetje sturen zodat de cadeautjes eerlijk verdeeld worden over de zakken. De kinderen krijgen na afloop een pietendiploma.

Spelers:
8 of meer
Tijd:
circa 15 a 30 minuten
Regels:
Niet met beide voeten van de tegels afkomen. Eén voetje is niet zo erg.
Niet rennen, want dan gebeuren er ongelukken.
Geen cadeaus van elkaar afpakken, want dat vind Sinterklaas niet leuk.
“Goede pieten werken goed samen”.
Als je de regels uitlegt, moet je natuurlijk niet zeggen van “dit mag niet”, maar probeer dit altijd op een positieve en toch duidelijke manier over te brengen.
Materiaal:
– veel staptegels (kunnen ook hoepels of matten zijn).
– allerlei cadeaus van sinterklaas.
– cd met sinterklaasliedjes.

Bedacht door Kars Bosman, Klas B2E, ROC van Twente

Tegelspel
Leg alle staptegels op de grond, zorg dat niet dezelfde kleuren naast elkaar komen te liggen. Zet de kinderen op een tegel. Je gaat nu een liedje zingen dat de kinderen moeten uibeelden en na het liedje moeten de kinderen een tegel verder gaan.

Voorbeeld liedje:

Beertje, beertje, draai eens rond. 
Beertje, beertje, tik de grond. 
Beertje, beertje, was je handen. 
Beertje, beertje, poets je tanden. 
Beertje, beertje, kleed je aan. 
Beertje, beertje ga op een andere tegel staan.

Je kunt ook zelf dingen bedenken en deze toepassen, zodat dit liedje langer word (let wel op dat de woorden wel op elkaar rijmen). Of je kunt een ander kinderliedje zoeken waarbij je ook dingen kunt uitbeelden.

Materiaal:
Veel staptegels

Bedacht door Anouk Veenhuizen, Klas: W1C, ROC van Twente

Poesje miauw
Laat de kinderen de hand van een vriendje vasthouden en een grote kring maken. Als ze goed staan, laten ze hun handen los zodat er een mooie kring is gevormd. Leg de staptegels midden in de kring samen met een peuter. Laat ze zo staan dat er al iemand is die een voorbeeld kan geven. De staptegels hebben allemaal een andere kleur. Zing het liedje van ‘poesje miauw’ en klap erbij zodat degene die midden in de kring staat weet wanneer die naar de volgende voetstaptegel moet. Dat leer je ze door een voorbeeld te geven.

Voorbeeldliedje:

Poesje miauw KLAP (op elke klap naar de volgende tegel springen)
Kom eens gauw KLAP
Ik heb lekkere melk voor jou KLAP
En voor mij KLAP
Rijst erbij KLAP
Oh wat heerlijk smullen wij KLAP

Het kindje springt nu naar de laatste voetstaptegel. Dit kindje is klaar. De begeleider kiest iemand anders uit die in de kring mag staan. Het gaat erom dat de peuters het liedje kennen en dat ze weten wat ze moeten doen nadat er geklapt is.

Variatie:
Met alle kinderen tegelijk spelen, de kinderen moeten nu goed kijken waar er nog vrije staptegels zijn.
Materiaal:
Veel staptegels

Bedacht door Sharon Leiwakabessy, Klas W1H, ROC van Twente

Kikkersprong op staptegels
Leg in de lengte van de ruimte een aantal staptegels in een rij. De kinderen moeten nu over de staptegels naar de overkant zien te komen. Dit kan natuurlijk niet gewoon lopend. Laat de kinderen zelf de gekste sprongen of ideeën bedenken om naar de overkant te komen. Als iemand van een tegel afvalt, moet diegene weer vooraan beginnen. Als het te makkelijk is kun je de kinderen weer een nieuwe variant laten verzinnen die wat moeilijker is.

Een aantal voorbeelden zijn: kikkersprong, hinkelend, de afstand tussen de ‘tegels’ groter maken.

Materiaal:
Veel staptegels
Variatie voor het slapen gaan:
Omdat kinderen soms niet graag naar bed gaan, zou je dit spel ook kunnen gebruiken voor kinderen als ze niet naar bed willen. Leg dan de tegels in een rij (hoeft niet recht achter elkaar) in de slaapkamer naar het bed toe. Het kind kan nu zelf bedenken hoe hij over de staptegels gaat om in bed te komen. Zo kan het kind spelenderwijs naar bed toe.

Bedacht door Joeri Eerdman, Klas W1G, ROC van Twente

Delen:     
Facebooktwitter

Login